De zon hangt loom boven de parkeerplaats van de Woerd. De lijnen op het veld vervagen in de trillende hitte, alsof ze zelf ook even vakantie nemen. Kinderen fietsen voorbij met slippers hangend aan de voeten, handdoek losjes op de schouder en druipende ijsjes in de hand. En ik? Ik zit wat te lanterfanten in mijn hoofd. Te roezemoezen met gedachten. Over Dalto. Over wie we zijn. En waar we naartoe rijden.
Ik sprak onze voorzitter onder het genot van een ijskoud vaasje schuimend goud, maar het had net zo goed een Italiaans terrasje kunnen zijn, ergens aan de Rivièra. Want er zat iets luchtigs in ons gesprek. Iets zomers. We willen allebei het goede, het schone, het perfecte stuurgevoel. We dromen allebei van een kanariegele Ferrari Cabrio: strak in de lak, scherp in de bocht, elke cilinder zingend. Maar onder de motorkap rommelde het een beetje. Als een verkouden Vespa.
Dalto is als een auto waar je aan gehecht raakt. Niet omdat hij perfect is, maar omdat je er herinneringen in hebt liggen. Zweetplekken op de stoelen. Zand van het korfbal-beachtoernooi in de kofferbak. Verfrommelde wedstrijdboekjes. Tickets van Ahoy. Met in de zomer de geur van zonnebrand, milkshakes en een vergeten boterham met kaas. En ja, ook een barstje in de voorruit, ooit opgelopen in een week vol meningen.
Onze lieve voorzitter rijdt strak volgens het boekje. Als er een lampje op het dashboard aanspringt, staat hij binnen tien minuten bij de garage. Nieuwe olie, ruitenwisservloeistof bijgevuld, een preventieve APK erbij — alles netjes. Niks mis mee.
Ik daarentegen… ik rij gewoon door. Lampje brandt? Prima. Gaat vanzelf wel uit. En als het begint te roken, gooi ik een raampje open. Ook een soort ventilatie. Banden zonder profiel? Dat glijdt lekker in de bocht.
Hij poetst. Ik vertel liever verhalen. Met het raam open, arm naar buiten, zon op m’n gezicht, muziek op repeat en een goed gesprek op de passagiersstoel. Een verhaal dat misschien niet altijd keurig binnen de lijnen rijdt, maar wel echt ergens heen gaat. Of stof doet opwaaien.
Want lieve voorzitter, een vereniging is geen showroom. Geen verzameling glanzende bolides waar niemand aan mag komen. Een club leeft pas echt als er vlekken op de motorkap mogen zitten, een deukje in de zijkant. De leukste etentjes zijn immers onverwachts, spontaan en niet gepland. De mooiste routes rij je zonder navigatie. En als je even de weg kwijt bent, of je hebt een lekke band? Dan plakken we die samen. Of misschien gaan we wel eerst even lunchen.
Laat de mensen schrijven. Denken. Botsen. Lachen. Laat Dalto een cabrio zijn — open, wapperend, met een paar krassen op de lak, maar vol leven. En als iemand dan iets schrijft dat schuurt? Dan praten we. Zoals wij dat deden. Dan drinken we een biertje in de zon. Geen strakke persconferentie, maar gewoon even ouderwets roezemoezen in de schaduw van de kantine.
Dalto in de zomer is meer dan stilte op de velden. Het is een moment van bezinning. Lanterfanten in de geest. Mijmeren over hoe mooi het is dat we onderweg zijn. Niet allemaal in dezelfde auto. Maar wel op dezelfde weg.
En met een knallende zomerhit die misschien niet altijd loepzuiver is — maar wél blijft hangen.
Kus, AvdP