Het nieuwe jaar is weer begonnen en de sneeuwvlokken dwarrelen als poedersuiker naar beneden. Sinds de kerstvakantie ben ik weer begonnen met het voorlezen van De Gorgels, nu aan de jongste telg. Ik ken de boeken inmiddels als mijn broekzak, maar het blijft heerlijk om te zien hoe ook nummer drie zich er weer volledig in verliest. We spreken thuis inmiddels weer vloeiend Gorgels. Van Dankeliedamdam bij het avondeten, Huphuphaastelahammie voor als we naar bed moeten en ja, af en toe drinken we stiekem een denkbeeldig glaasje gorgelbessensap, onzichtbaar, maar effectief: je wordt er sneller van, slimmer, knapper misschien? Maar vooral net iets dapperder.
Fantasie, verwondering, net alsof, verhalen die misschien wel eens echt kunnen zijn. Ik ben er zelf ook mee opgegroeid. Niet met Gorgels, maar met kabouters. Tijdens lange boswandelingen, waarop mijn opa overtuigend verhalen vertelde over een wereld net naast de onze. Over kleine wezentjes met rode puntmutsjes die je niet zag, maar die er wel degelijk waren. Hij wees de plekken aan waar hij ze had gezien en overtuigde mij met de tekeningen van Rien Poortvliet. Die dat magische bestaan zo overtuigend vastlegde dat je als kind eigenlijk niet anders kon dan geloven dat ze écht bestonden.
Voor wie het gemist heeft: De Gorgels, ontsproten aan de fantasie en pen van Jochem Myjer, gaan over kleine, ‘onzichtbare’ wezentjes die ’s nachts kinderen beschermen tegen de gemene (Groensnot) Brutelaars. Nare droommonsters die leven van angst. Hoe meer twijfel, hoe groter ze worden. Hoe meer lef, hoe kleiner ze lijken.
Eén van die Gorgels is Bobba. Een Waakgorgel. Geen strateeg, geen prater, maar een doener. Bobba duikt niet weg. Hij staat op. Klein van stuk, groot in hart. Kamikazelaboemboem, vol erin.
En terwijl ik daar zat met dat boek op schoot nieuwe herinneringen te maken. Ergens tussen twee bladzijden door, dacht ik ineens ook aan twee andere onzichtbare krachten. Die opeens in het derde ‘boek’ verdwenen zijn. Geen afscheid, geen briefje, alleen maar verhalen. Uit als ‘zij’ thuis moeten.
Twan van H. en Mats R.
Twan is zo’n Waakgorgel die elk team nodig heeft. Niet altijd de mooiste actie, niet altijd de luidste stem, maar wel degene die er altijd staat. Die meters maakt als anderen twijfelen. Die gaten dichtloopt voordat iemand ze ziet. Die het vuile werk doet zodat anderen kunnen schitteren. In elk team zou er minstens één Twan moeten rondlopen. Of, in korfbaltermen: eentje zoals Olav van Wijngaarden, spelers die je zelden bovenaan het lijstje van topscoorders vindt, maar die je pas écht mist als ze er niet meer zijn.
Waakgorgels zijn zelden de eersten die je opschrijft.
Maar wel de laatsten die je zou moeten wegstrepen.
En dan Mats R. Het andere verhaal. Dat van talent. Van goals. Veel goals. Mooie goals. Mats deed alles wat je mag verwachten, behalve misschien dat ene beetje extra geluk in een moordende concurrentiestrijd. Soms is kwaliteit niet genoeg. Soms is de vijver simpelweg te vol. Dat maakt Mats geen mindere speler, alleen een speler die net geen Mazzelabammie had.
Ook dat past in het Gorgel-universum. Niet elke held blijft zichtbaar. Sommige beschermen tijdelijk vanaf een andere plek. Wat Twan en Mats delen, is waarde. Niet altijd meetbaar, niet altijd selecteerbaar, maar wel onmiskenbaar. En wie denkt dat een Waakgorgel zijn kracht verliest buiten de selectie, heeft de boeken niet goed gelezen. Gorgels verdwijnen niet. Ze wachten. Ze trainen. Ze drinken gorgelbessensap.
En uiteindelijk weten we allemaal: Brutelaars win je nooit met angst.
Alleen met lef. Met inzet.
En met mensen die blijven opstaan, ook als niemand kijkt.
Kus, AvdP








